Nederland en deeltijdwerken
Nederland staat al jaren bekend als ‘kampioen deeltijdwerken’. In 2024 werkte circa 38,6 procent van de werkenden in Nederland in deeltijd (ter vergelijking: het EU-gemiddelde ligt op 17,1 procent volgens Eurostat). Twee jaar later, begin 2026, telde Nederland ongeveer 9,8 miljoen werkenden, waarvan 4,8 miljoen in deeltijd. Dit komt neer op een nieuw percentage van bijna 50 procent. Deeltijdwerken lijkt daarmee een structureel kenmerk van onze arbeidsmarkt (CBS).
Analyse van deeltijdwerken
Een veelgehoorde uitspraak binnen de politiek is: ‘Nederlanders moeten meer uren werken’. Hoewel dat logisch klinkt, gaat die stelling voorbij aan de onderliggende dynamiek. Deeltijdwerk is geen puur individuele keuze, maar het resultaat van hoe arbeid en samenleving zijn georganiseerd.
Allereerst is er een uitgesproken verschil tussen mannen en vrouwen. Vrouwen werken aanzienlijk vaker in deeltijd en combineren werk vaker met zorgtaken. In Nederland is dat patroon sterker dan in andere Europese landen: twee derde van de werkende vrouwen met kinderen werkt parttime (Eurostat).
Daarnaast speelt levensfase een rol. Jongeren combineren werk vaak met onderwijs, terwijl ook ouderen vaker in deeltijd werken. Opvallend is dat juist de groep met ‘grote deeltijdbanen’ (28–35 uur) groeit. Dat wijst op een verschuiving richting meer uren, maar niet per se naar voltijd (CBS).
Ten slotte is deeltijd in veel sectoren letterlijk ingebouwd. In zorg, kinderopvang en onderwijs zijn roosters, piekmomenten en personeelsplanning vaak afgestemd op deeltijdconstructies. Werkgevers bieden daar relatief veel deeltijdbanen aan, mede op basis van verwachtingen over werknemers (SCP).
Als we verder kijken dan het simpele onderscheid tussen voltijd en deeltijd, ontstaan drie relevante richtingen voor beleid en praktijk.
1. Meer uren waar dat kan
Er is ruimte voor urenuitbreiding, vooral bij mensen die al substantieel werken. De groei van grote deeltijdbanen suggereert dat hier potentieel zit. Tegelijkertijd laten analyses zien dat meer uren niet (altijd) vanzelfsprekend zijn en dat urenuitbreiding mogelijk resulteert in extra druk op bijvoorbeeld de kinderopvang (CPB). Werk moet daarom anders worden ingericht, en prikkels moeten kloppen. Werkgevers spelen daarin een sleutelrol (CBS & SCP).
2. Betere toegang tot werk
Niet al het potentieel zit in meer uren. Een deel zit in groepen met een lagere arbeidsparticipatie. CBS-cijfers laten zien dat de participatie van mensen geboren buiten Europa aanzienlijk lager ligt dan gemiddeld. Daarmee is betere toegang tot werk, bijvoorbeeld via taal, matching, begeleiding en gelijke kansen, een belangrijk onderdeel van de oplossing. Mooie voorbeelden hierbij zijn bijvoorbeeld de LLO-collectieven en de werkcentra door het hele land.
3. Slimmer organiseren van werk
Meer arbeid alleen is niet genoeg. De SER benadrukt dat we ook moeten inzetten op productiviteit en innovatie. Dat betekent werk slimmer organiseren, processen verbeteren en technologie benutten. Zeker in sectoren waar de vraag naar arbeid structureel hoger is dan het aanbod, is dit essentieel (SER). Om hier concreet mee aan de slag te gaan, is bijvoorbeeld de regeling Leerkringen Slimmer Werken via het Loket provincie Overijssel opengesteld.
Van meer uren naar betere balans
Kortom: Nederland is weliswaar een deeltijdland, maar ook een land dat arbeid, zorg en productiviteit op een specifieke manier heeft georganiseerd. De toekomst vraagt niet om het simpelweg verhogen van het aantal uren, maar om het opnieuw doordenken van die balans. De echte uitdaging is daarmee niet méér werken, maar slimmer en rechtvaardiger verdelen. En daar denken wij graag in mee!
