Terug

Waarom de CO₂-heffing voor AVI’s een gemiste kans is

9 juni 2026

En hoe het ministerie dit eenvoudig kan repareren

Sinds dit jaar treedt de CO₂‑heffing echt in werking. Wie minder fossiele CO₂ uitstoot, hoeft minder te betalen. Dat is de simpele, krachtige belofte achter de Nederlandse CO₂‑heffing: een prijsprikkel die ervoor zorgt dat klimaatwinst ook financieel logisch wordt. Gemeenten die investeren in betere scheiding – aan de voorkant en via mechanische scheiding – doen dat precies met dat doel: minder fossiele fracties de oven in, meer materiaal terug de keten in.

Alleen: bij afvalverbranding werkt die prikkel nu maar half. En dat is niet omdat gemeenten het verkeerd doen, of omdat de techniek tekortschiet. Het is omdat het Rijk en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEA) de heffing zó heeft ingericht dat de berekening voor een belangrijk deel doet alsof de samenstelling van het restafval niet verandert, ook niet nadat er via mechanische scheiding grote fossiele “vervuilers” uit zijn gehaald.

Dat is beleidsmatig zonde. Want als je een prikkel introduceert en vervolgens de werkelijkheid wegmiddelt, stuur je op papier, niet op impact. En ja: dat kost gemeenten ook gewoon geld.


Waar gaat het precies mis?

De CO₂‑heffing voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) gebruikt voor de berekening van de niet‑biogene CO₂‑uitstoot een landelijk gemiddelde samenstelling van huishoudelijk restafval, vastgesteld door Rijkswaterstaat. Die gemiddelde samenstelling wordt toegepast ongeacht of een gemeente het restafval direct laat verbranden, of eerst via mechanische scheiding stromen scheidt. Met andere woorden: de heffing rekent voor een belangrijk deel met dezelfde “input” vóór en ná de scheidingsinstallatie.

Gevolg: de financiële beloning voor daadwerkelijk vermeden fossiele CO₂ blijft beperkt.

Hoe werkt de CO₂-heffing (alleen het noodzakelijke)

De heffing die een AVI betaalt hangt af van meerdere jaarlijkse parameters (zoals het tarief en dispensatierechten via de nationale reductiefactor), maar de doorslaggevende bouwsteen in dit verhaal is de berekende CO₂‑uitstoot waarop het tarief wordt toegepast.

Belangrijk detail: bij afvalverbranding wordt onderscheid gemaakt tussen biogene CO₂ (bijvoorbeeld uit etensresten) en niet‑biogene CO₂ (fossiele uitstoot, vooral gekoppeld aan kunststoffen). Voor de heffing telt met name dat niet‑biogene deel. Intuïtief denk je dan: haal de fossiele componenten eruit via scheiding, en de heffing daalt fors.

En precies daar knelt het: de heffing rekent niet met de (veranderde) samenstelling na scheiding, maar met een landelijk gemiddelde samenstelling alsof er niets is veranderd.

Waarom met name kunststoffen en textiel zo zwaar wegen

Kijk je naar de gemiddelde samenstelling van huishoudelijk restafval, dan zijn er twee fracties die een opvallend grote invloed hebben op de niet‑biogene CO₂‑uitstoot: kunststoffen en textiel. Een snelle rekensom op basis van de samenstelling en de emissiefactoren leert ons dat kunststof het zwaarst doordrukt (ongeveer 70% van de niet‑biogene CO₂‑uitstoot) en textiel volgt (ongeveer 10%). Zie ook onderstaande tabel:

Fractie in het restafval

Samenstelling restafval  (gemiddelde NL in kg/kg)

Samenstelling niet-biogene CO2-uitstoot (gemiddelde NL in kg/kg)

GFT en organische rest

34%

8%

Papier en karton

20%

7%

Incontinentiemateriaal

6%

2%

Kunststof

13%

70%

Glas

5%

0%

Ferro

2%

0%

Non-ferro

2%

0%

Textiel

4%

10%

Klein chemisch afval

0%

0%

Overige fracties

16%

4%

Dat maakt de beleidslogica helder: als je via mechanische scheiding vooral kunststoffen en textiel uit het restafval haalt, verminder je precies het deel waar de heffing op zou moeten sturen. Je zou dit ook kunnen zien als de 80-20 regel.

De paradox: scheiden werkt technisch, maar de heffing doet alsof het niet gebeurt

Hier wordt het concreet.

Stel: per 100 kg restafval haal je via mechanische scheiding alle kunststoffen (circa 13 kg) en alle textiel (circa 4 kg) eruit. In termen van fossiele CO₂‑impact is dat groot, omdat juist deze fracties de niet‑biogene uitstoot domineren.

Echter leidt dat toch maar tot ongeveer 17% minder te betalen CO₂‑heffing: van elke euro aan heffing blijft circa € 0,83 over.

Hoe kan dat? Omdat de heffing blijft rekenen met een gemiddelde landelijke samenstelling: de berekening doet alsof er nog steeds evenveel kunststoffen en textiel in de ton restafval zit, ook al zijn die er via scheiding grotendeels uitgehaald. Daarmee verdampt de prikkel precies op het punt waar je hem het hardst nodig hebt.

En dat is de gemiste kans: je beloont niet de gemeenten en verwerkers die investeren in gerichte scheiding, je beloont het gemiddelde.

Wat kost dit gemeenten?

De consequenties van deze systematiek zijn niet alleen theoretisch, maar ook financieel zeer concreet. Op korte termijn valt het verschil in CO₂‑heffing nog mee, doordat er relatief veel dispensatierechten beschikbaar zijn en het tarief lager ligt. Maar naarmate die rechten afnemen en het tarief oploopt, wordt het effect snel groter.

Onderstaande indicatieve bedragen (exclusief EU‑ETS) laten zien hoe de CO₂‑heffing per ton huishoudelijk restafval zich ontwikkelt bij verschillende mate van scheiding. Wat hier vooral opvalt, is niet alleen dat de kosten stijgen, maar dat het financiële verschil tussen wél en niet scheiden structureel achterblijft bij de daadwerkelijk vermeden fossiele CO₂‑uitstoot.

CO2-heffing per ton

Scheidingsrendement van kunststoffen en textiel

0%

50%

70%

100%

Jaar

2026

€ 8

€ 0

€ 0

€ 0

2030

€ 83

€ 44

€ 23

€ 2

2035

€ 191

€ 120

€ 82

€ 44

In de tabel is de virtuele CO2 heffing per ton te verbranden afval weergegeven bij verschillende scheidingsrendementen en indien gecorrigeerd zou worden voor veranderende samenstelling. De meest linkerkolom vormt het referentiekader en de CO2 heffing zoals die nu te verwachten is.

Voor gemeenten betekent dit dat investeringen in scheiding – met name gericht op het verwijderen van kunststoffen en textiel via mechanische scheiding – maar beperkt worden terugverdiend via een lagere CO₂‑heffing. Dat is problematisch, omdat juist deze investeringen bedoeld zijn om fossiele uitstoot te reduceren. De huidige systematiek verdisconteert die inspanning onvoldoende en leidt er daarmee toe dat gemeenten meer betalen dan nodig is voor dezelfde hoeveelheid vermeden CO₂.

Op gemeentelijk niveau lopen deze bedragen snel op. Voor een middelgrote gemeente gaat het richting 2030 om tienduizenden tot zelfs honderdduizenden euro’s per jaar die niet beschikbaar zijn voor verdere verbetering van scheiding, afvalpreventie of lokale verduurzaming. Daarmee raakt dit vraagstuk direct aan gemeentelijke begrotingen en aan de effectiviteit van het nationale klimaatbeleid.

Ministerie: dit vraagt geen nieuw beleid, maar een gerichte correctie

Het goede nieuws is dat deze gemiste prikkel niet vraagt om een nieuw instrument of een fundamentele herziening van de CO₂‑heffing. De systematiek werkt in de basis zoals bedoeld, maar de input sluit onvoldoende aan op de praktijk van gemeenten en verwerkers die investeren in mechanische scheiding. Juist daar ligt de sleutel om de prikkel te herstellen.

Op dit moment werkt het ministerie met één landelijke gemiddelde samenstelling van huishoudelijk restafval. Daarmee worden wezenlijke verschillen tussen gemeenten gladgestreken, terwijl die verschillen juist het resultaat zijn van bewuste beleidskeuzes en investeringen. Gemeenten die via mechanische scheiding aantoonbaar kunststoffen en textiel uit het restafval verwijderen, zien dit onvoldoende terug in de heffing. De prikkel wordt daarmee afgevlakt, precies waar hij zou moeten aanscherpen.

Een werkbare en uitvoerbare verbetering is om in de landelijke systematiek te werken met meerdere gemiddelde samenstellingen, die recht doen aan de verschillende inzamel- en scheidingspraktijken. Concreet gaat het om drie situaties:

  • de samenstelling van restafval bij een bronscheidingsmodel Verpact;

  • de samenstelling van restafval bij mechanische scheiding conform nascheidingsmodel Verpact;

  • de samenstelling van restafval bij mechanische scheiding ná scheiding van meerdere stromen anders dan alleen (kunststof)verpakkingen.

Hiermee blijft het ministerie werken met statistisch robuuste gemiddelden, maar wordt voorkomen dat investeringen in scheiding onzichtbaar blijven in de CO₂‑heffing. De prikkel wordt daarmee niet complexer, maar juist consistenter: wie meer fossiele CO₂ vermijdt, betaalt ook daadwerkelijk minder.

Dat is niet alleen in het belang van gemeenten, maar ook van het Rijk. Een heffing die beter aansluit op de werkelijkheid vergroot de effectiviteit van het instrument, versterkt de samenhang met circulaire ambities en voorkomt dat publieke middelen wegvloeien zonder extra klimaatwinst. Dit is geen beleidswijziging, maar een noodzakelijke correctie om de CO₂‑heffing weer te laten doen waarvoor zij is ingevoerd.

Wat gemeenten hiermee te winnen hebben (en waarom dit ook voor het Rijk verstandig is)

Gemeenten sturen dagelijks op de realiteit van restafval: luiers, ONF, textiel, OPK en glas komen ze tegen in sorteeranalyses en in de inzameling. Onderaan de streep gaat het ook om drankkartons, kunststoffen en metalen – precies de stromen die, als ze in het restafval blijven zitten, onevenredig bijdragen aan fossiele uitstoot en dus aan de heffing.

Een CO₂‑heffing die deze werkelijkheid weerspiegelt, helpt iedereen:

  • het Rijk krijgt een prikkel die daadwerkelijk stuurt op CO₂‑reductie;

  • gemeenten zien investeringen in scheiding eerlijk terug in hun kosten;

  • en de sector krijgt een duidelijker signaal richting verwerking en recycling.

Slot: pas het aan, zodat beleid weer logisch wordt

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Ministerie van Klimaat en Groene Groei: maak de CO₂‑heffing bij afvalverbranding een nog gerichtere beleidsprikkel. Nu wordt een belangrijk deel van de werkelijkheid gladgestreken met landelijke gemiddelden, waardoor gemeenten en verwerkers die via mechanische scheiding fossiele uitstoot vermijden daar financieel te weinig voor terugzien.

Dat is niet alleen een gemiste kans voor CO₂‑reductie; het is ook een gemiste kans voor gemeentelijke begrotingen. Geld dat nu weglekt in een systematiek die niet meebeweegt, kan ook terechtkomen bij maatregelen die de afvalberg daadwerkelijk kleiner maken en materiaal hoogwaardiger benutten.

De oplossing is overzichtelijk en uitvoerbaar: werk met meerdere gemiddelde samenstellingen (bron, nascheiding, mechanische scheiding meerdere stromen) en laat de heffing weer aansluiten bij wat er in de praktijk gebeurt. Dan hoeft niemand harder te rennen, dan hoeft de rekensom alleen eindelijk dezelfde kant op te wijzen als het beleid.

Deel