Wij zien vanuit KplusV in ons werkveld een groeiend gevoel van onmacht. Gemeenten willen wel, maar botsen op praktische grenzen. Wegen moeten onderhouden worden. Budgetten staan onder druk. En ondertussen blijft het onduidelijk wat het effect is van de miljoenen die worden geïnvesteerd in het ‘aanjagen’ van de circulaire economie. Wat levert het op? En voor wie?
Tegelijkertijd verandert de vraag. Circulariteit is niet langer een abstract ideaal, maar een strategische afweging. Gemeenten, provincies en samenwerkingsverbanden willen weten: als ik één euro uitgeef, wat is dan het circulaire rendement? Draagt dit project bij aan het einddoel, of is het een druppel op de gloeiende plaat?
In dit visiestuk delen wij onze gezamenlijke blik op deze veranderende realiteit. Dit doen wij op basis van onze ervaring met gemeentelijke organisaties, gedragsverandering en het vraagstuk van eigenaarschap. Samen willen we het gesprek openen over hoe we circulaire economie urgent en doelgericht houden. Niet door harder te roepen dat het nu echt moet en we over moeten gaan naar ‘doen’, maar door scherper te kiezen.
Toen in 2016 het doel werd gesteld om in 2030 het gebruik van primaire abiotische grondstoffen te halveren, klonk dat ambitieus en richtinggevend. Maar inmiddels is duidelijk dat dit doel niet alleen onhaalbaar is, het blijkt ook inhoudelijk problematisch. Het doel is namelijk nergens op gebaseerd. Er is geen onderliggende analyse, geen realistische routekaart, en geen inzicht in de effecten van maatregelen die ertoe zouden moeten leiden. Inmiddels zijn deze doelen ook vervangen voor een concretere set aan tussendoelen. Echter blijven ook deze doelen hoogover en voor heel Nederland en voor alle sectoren gelden.
Wat we in de praktijk zien, is dat dit soort abstracte doelen leiden tot verkeerde prikkels. Ze sturen op kwantiteit in plaats van kwaliteit, op symboliek in plaats van effect. Gemeenten - en in het bijzonder uitvoerende afdelingen zoals GWW - worden geconfronteerd met een onmogelijke opgave: ze moeten wegen onderhouden, bruggen vervangen, rioleringen vernieuwen. Tegelijkertijd wordt van hen verwacht dat ze bijdragen aan een halvering van grondstoffengebruik, zonder dat duidelijk is hoe dat moet, wat het oplevert, of waar de ruimte zit om keuzes te maken.
Het gevolg is een groeiend gevoel van onmacht. Professionals die ‘gewoon hun werk willen doen’ raken gefrustreerd. Ze willen bijdragen aan de circulaire transitie, maar voelen zich gevangen tussen beleidsambities en praktische realiteit. En dat is niet alleen een uitvoeringsprobleem, het is een systeemfout. Want zolang we sturen op doelen die niet zijn vertaald en ingebed in de praktijk, blijven we circulaire economie positioneren als iets extra’s, iets vrijblijvends, in plaats van als een integraal onderdeel van hoe we werken en investeren.
De afgelopen jaren is er veel geïnvesteerd in het ‘aanjagen’ van de circulaire economie. Subsidies, pilots, platforms, netwerken, allemaal bedoeld om beweging te creëren. Maar de vraag die steeds luider klinkt is: wat levert het op?
Het pijnlijke antwoord is dat we dat vaak niet weten. Er is nauwelijks zicht op de effecten van de maatregelen die worden genomen, laat staan op hun bijdrage aan het grotere doel van een volledig circulaire economie. Er ontbreekt een gedeeld beeld van wat ‘effect’ eigenlijk betekent in deze context. Gaat het om CO₂-reductie? Om het verminderen van leveringsrisico’s? Om economische weerbaarheid? Of om sociale waarde?
Wat wij zien, is een groeiende behoefte aan doelmatigheid: de vraag is niet langer of we iets circulairs doen, maar wat het effect is van het uitgeven van die ene euro. Welk project draagt daadwerkelijk bij aan de transitie, en welk project is vooral symbolisch? Gemeenten en andere overheden worden geconfronteerd met scherpe keuzes: investeren we in de circulaire economie, of in jeugdzorg, achterstallig onderhoud, of de warmtetransitie? In die context is het essentieel dat circulaire projecten niet alleen goed voelen, maar ook aantoonbaar waarde toevoegen.
Dat vraagt om een andere manier van denken en werken. Niet langer sturen op activiteit, maar op resultaat. Niet alleen verhalen vertellen, maar ook data verzamelen. En niet alleen inspireren, maar ook prioriteren.
Waar circulariteit jarenlang vooral werd benaderd als een morele of beleidsmatige ambitie, zien we nu een duidelijke verschuiving in de vraag. Overheden, en met name gemeenten, stellen steeds vaker de vraag: wat levert het op? Niet alleen in termen van grondstoffenreductie, maar ook in bredere maatschappelijke impact. Circulariteit moet zich steeds vaker bewijzen in termen van vermeden CO₂-uitstoot, vermindering van leveringsrisico’s, economische weerbaarheid of sociale waarde.
Deze ontwikkeling is niet los te zien van de bredere context waarin gemeenten opereren. De financiële ruimte staat onder druk. Gemeentebegrotingen worden gekort, en bestuurders moeten scherpe keuzes maken. In die afweging delft het thema circulaire economie steeds vaker het onderspit, juist omdat de opbrengsten ervan moeilijk zichtbaar of meetbaar zijn.
Tegelijkertijd groeit de behoefte aan instrumenten om die afweging beter te kunnen maken. Monitoring, effectmeting en impactanalyse worden cruciaal. Circulariteit moet niet alleen inspireren, maar ook overtuigen. Niet alleen beleidsmatig kloppen, maar ook financieel en maatschappelijk renderen.
Deze veranderende vraag vraagt om een andere benadering van CE: minder vrijblijvend, meer strategisch. Minder gericht op het ‘aanjagen’ van beweging, en meer op het maken van keuzes die aantoonbaar bijdragen aan het einddoel. En dat vraagt ook om een andere rol van professionals, bestuurders en adviseurs: als vertalers van ambitie naar effect.
De transitie naar een circulaire economie is geen puur technische opgave. Het is een veranderopgave die diep ingrijpt in hoe mensen werken, samenwerken en keuzes maken. En juist daar wringt het vaak.
Wat we zien, is dat veel organisaties circulaire economie nog steeds benaderen als een project of programma. Iets dat ‘erbij’ komt. Maar zolang circulariteit niet wordt verankerd in het dagelijks handelen, blijft het kwetsbaar. Het vraagt om een cultuurverandering: van lineair denken naar circulair handelen. Van korte termijn naar lange termijn. Van sectoraal naar integraal.
In ons werk bij gemeenten en samenwerkingsverbanden zien we hoe bepalend gedrag en organisatiecultuur zijn voor het slagen van circulaire ambities. Eigenaarschap is daarin cruciaal. Wie voelt zich verantwoordelijk? Wie durft keuzes te maken? En wie mag ‘nee’ zeggen tegen projecten die niet bijdragen aan het grotere doel?
Tegelijkertijd vraagt deze transitie om ruimte voor leren en experimenteren. Niet alles hoeft in één keer goed. Maar het vraagt wel om een omgeving waarin mensen zich veilig voelen om te reflecteren, bij te sturen en verantwoordelijkheid te nemen. En om leiderschap dat niet alleen stuurt op output, maar ook op houding en gedrag.
Als we circulaire economie echt serieus nemen, moeten we dus niet alleen investeren in techniek en beleid, maar ook in mensen. In hun overtuigingen, hun handelingsperspectief en hun vermogen om eigenaarschap te nemen. Want zonder die menselijke kant blijft circulariteit een papieren werkelijkheid.
De transitie naar een circulaire economie vraagt om meer dan goede bedoelingen. Het vraagt om scherpe keuzes, meetbare effecten en een cultuur waarin eigenaarschap centraal staat. In dit visiestuk hebben wij onze visie gedeeld op hoe het discours rondom circulariteit verandert. Van ambitie naar effect. Van aanjagen naar resultaten. Van abstracte doelen naar strategische afwegingen.
Wij zien dat het huidige beleid vaak stuurt op symboliek, terwijl professionals in de uitvoering snakken naar houvast. Wij zien dat circulariteit moet concurreren met andere urgente maatschappelijke opgaven, en dat het daarom des te belangrijker is om te kunnen aantonen wat het oplevert. En wij zien dat de menselijke kant - gedrag, cultuur, eigenaarschap - minstens zo bepalend is als de technische en beleidsmatige kant.
Onze oproep is dan ook geen pleidooi voor méér circulaire projecten, maar voor betere keuzes en slimmere keuzes. Integreer landelijke en regionale ontwikkelingen in je eigen bedrijfsvoering. Voor het ontwikkelen van afwegingskaders, impactmodellen en leertrajecten die helpen om die ene euro doelgericht te besteden. En voor het voeren van het gesprek: hoe houden we circulariteit urgent, relevant en effectief?
Wij nodigen je uit om dat gesprek met ons aan te gaan.
