Arbeidsmarkt als transitievraagstuk
De arbeidsmarkttransitie gaat voor mij over de beweging van een systeem waarin onderwijs, werkgevers en overheid vooral vanuit hun eigen rol en logica handelen, naar een systeem waarin zij gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkeling van mensen, werk en vakmanschap gedurende de hele loopbaan.
Dat betekent ook dat je soms vragen stelt bij zaken die vanzelfsprekend lijken. Wie is waarvoor verantwoordelijk? Hoe zijn geldstromen georganiseerd? Waarom doen we bepaalde dingen zoals we ze doen? Veel van die vanzelfsprekendheden blijken uiteindelijk gewoon afspraken te zijn. En afspraken kun je veranderen. Maar dat is niet makkelijk. Waarom is dat?
Verandering in de praktijk
In veel regio's wordt al intensief samengewerkt tussen onderwijs, werkgevers en overheid. Dat is belangrijk. Maar samenwerking alleen zorgt nog niet voor vernieuwing.
Vanuit transitietheorie is verandering moeilijk omdat bestaande systemen zichzelf in stand houden. Een arbeidsmarktsysteem bestaat niet alleen uit organisaties en beleid, maar ook uit regels, routines, financiering, belangen, rolverdelingen en overtuigingen over wat ‘normaal’ is. Die elementen grijpen op elkaar in en maken dat een systeem stabiel blijft, ook als veel mensen zien dat het niet goed werkt.
Daarom leiden nieuwe projecten of subsidies niet vanzelf tot echte vernieuwing. Als de onderliggende structuren hetzelfde blijven, stapelen we vooral nieuwe oplossingen op een oud systeem. Echte verandering vraagt dat ook de diepere vragen op tafel komen: wie heeft verantwoordelijkheid, wie heeft mandaat, wie krijgt middelen, wie levert ruimte in en wat moeten we misschien loslaten? Juist daar wordt transitie spannend, omdat verandering dan raakt aan positie, macht en bestaande vanzelfsprekendheden.
Je ziet dat nu bijvoorbeeld rondom de verdeling van financiering van het mbo. Goed dat de mbo’s in krimpregio’s er geld bij krijgen, zeggen Brabantse mbo-scholen, maar niet ten koste van ons (bron Trouw). En zie vooral ook de reacties op dit beleid vanuit verschillende mbo’s.
Waarom zo kijken naar de wereld mij energie geeft
Transitiedenken helpt mij om verder te kijken dan projecten en oplossingen. Niet alleen vragen wat we gaan doen, maar vooral onderzoeken welk patroon we proberen te doorbreken. Het vraagt om scherp kijken, goed luisteren, patronen herkennen en soms ook vriendelijk schuren. Zo kunnen we zichtbaar maken dat wat vast lijkt te staan, toch veranderbaar is. Juist mensen in de praktijk zien heel goed waar het systeem niet werkt: waar regels wringen, waar verantwoordelijkheid verdwijnt of waar oplossingen steeds opnieuw op dezelfde plek vastlopen. De kunst is om die signalen serieus te nemen, goed te duiden en ze niet als individueel probleem terug te leggen bij de werkvloer, maar op de plek waar ook daadwerkelijk macht, mandaat en verantwoordelijkheid zitten om iets te veranderen.
Ik krijg energie van dat gesprek. Van het zichtbaar maken van wat vaak onzichtbaar blijft. Van samen ontdekken dat een knelpunt niet alleen een praktisch vraagstuk is, maar ook iets zegt over keuzes, belangen en gewoontes. Samen beter begrijpen hoe het systeem werkt en vervolgens organiseren dat er echt iets verandert.
Mijn vraag voor de komende tijd is: welke ruimte heb ik om als adviseur aan die transitie te werken? Wat als een opdrachtgever “gewoon” een subsidieaanvraag, een interventie of samenwerking wil binnen het huidige systeem? Blijkt zij of hij bereid ook te kijken naar onderliggende structuren en het moeilijkere gesprek? Ga ik een keer helpen bij het proces van afbraak i.p.v. opbouw? Nemen we daar als bureau ook eigen initiatief in? Hoe geven we (dan toch) vorm aan die transitie waarvan we denken dat die nodig is?
